Minister Dekker voor Rechtsbescherming wil de voorwaardelijke invrijheidstelling maximeren tot twee jaar. Rechters zullen dan waarschijnlijk lagere straffen gaan opleggen. Maar twee jaar is te kort voor de resocialisatie van een gedetineerde die lang heeft vast gezeten. Nu al kan de rechter bij gevangenisstraffen tot vier jaar beslissen dat de veroordeelde een deel van die straf niet hoeft uit te zitten, zo lang hij zich aan aan de voorwaarden houdt. Breidt die mogelijkheid uit naar langere gevangenisstraffen. Voorwaardelijke invrijheidstelling is dan helemaal niet meer nodig.
“Rosmalenaar moet 20 jaar de cel in voor koelbloedige liquidatie,” kopte het AD op 1 januari 2017. Maar dat is helemaal niet zo. Inderdaad – de rechtbank legde de Rosmalenaar 20 jaar gevangenisstraf op. Maar na tweederde van die straf komt hij vrij. Dat zijn de regels rond voorwaardelijke invrijheidstelling. Als een rechter zegt “twintig” bedoelt hij: twaalf jaar en acht. Zegt een rechter “dertig”, dan bedoelt hij pas twintig. Heel transparant voor de burger is dat natuurlijk niet. Het AD had bijvoorbeeld geen idee. De meeste krantenlezers waarschijnlijk ook niet.
Eenmaal in vrijheid moet de man uit Rosmalen zich wel blijven gedragen. En soms aan voorwaarden houden, zoals begeleiding door hulpverleners. Wanneer hij de fout in gaat, loopt hij het risico dat hij de rest van zijn straf ook nog moet uitzitten. Dat wordt nu nog door de rechter beslist. Als het aan de minister ligt, straks de officier van justitie.
Bizar
Het is zelfs voor de betrokken professionals steeds rekenen. Hoe lang moet een veroordeelde nou werkelijk de cel in? De officier van justitie moet bij zijn eis – en de rechter in zijn vonnis – alert zijn op de soms bizarre werking van de wet. Als de rechter twee jaar oplegt, moet de veroordeelde 16 maanden zitten. Na een derde deel van het tweede jaar gaat de voorwaardelijke invrijheidstelling namelijk in. Maar wordt een mededader met een net iets mindere rol bij het misdrijf veroordeeld tot twee jaar waarvan een half jaar voorwaardelijk, dan moet díe netto twee maanden langer de cel in! Bij een voorwaardelijke straf volgt namelijk geen voorwaardelijke invrijheidstelling.
Straffen hebben een belangrijke functie in de samenleving. Een van de doelen is anderen ervan te weerhouden om ook een misdrijf te plegen. Daarvoor is het nodig dat straffen afschrikwekkend zijn. Hoe zwaarder ze klinken – hoe beter, zou je dan zeggen. Er ontstaat dan meteen spanning met een ander strafdoel. Het is namelijk ook de bedoeling dat deze speficieke veroordeelde op het recht pad blijft. Lange detenties zonder effectieve resocialisatie hebben meestal het tegengestelde effect. Net als met voetbal is vrijwel elke Nederlander deskundig op het gebied van strafoplegging. En onder die ‘deskundigen’ heerst een sterke neiging om het strafklimaat te mild te vinden. Het komt de overheid daarom misschien ook niet zo slecht uit dat de krantenlezer denkt dat straffen zwaarder zijn dan ze werkelijk zijn.
Kleur bekennen
Maar met het wetsvoorstel van minister Dekker komt de temparatuur van de soep tijdens consumptie veel dichter bij die tijdens het opdienen. Het verschil tussen opgelegde en uitgezeten straf wordt nog hooguit twee jaar. Zegt de rechter straks “dertig” dan bedoelt hij: achtentwintig. En geen twintig meer, zoals nu. Mij lijkt het heel onwaarschijnlijk dat rechters dan ineens zullen gaan vinden dat iemand voor een zelfde soort feit acht jaar langer de cel in moet dan nu. De rechter zal dan dus ook geen “30” meer zeggen maar: 22. Het gevolg is wel dat de opgelegde straffen in Nederland fors omlaag zullen gaan. Voor de Rechtspraak is dat een reëel scenario, want in haar advies van 13 juni aan de minister schrijft de Raad voor de rechtspraak:
“Een effect van die wijziging kan zijn dat er lager gestraft zal worden. Indien de rechter bijvoorbeeld tot het oordeel komt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 jaar passend en geboden is, zal na invoering van de wet (…) een gevangenisstraf van 22 jaar worden opgelegd in plaats van 30 jaar.”
De samenvatting van het advies bedoeld voor publiek en pers van 18 juni verraadt echter dat de Rechtspraak worstelt met het dreigende beeld van een veel milder strafklimaat. Daarin is de voorstelling van zaken namelijk precies omgekeerd. De Raad hield de VVD-minister voor dat zijn wetsvoorstel tot lagere straffen zal leiden. Maar richting publiek wordt wonderlijk genoeg gesuggereerd dat de veroordeelde het haasje zal zijn:
“Iemand die tot 18 jaar cel is veroordeeld kan nu na 12 jaar in aanmerking komen om voorwaardelijk vrij te komen. (…) Met het nieuwe wetsvoorstel zou de gedetineerde niet na 12 jaar maar na 16 jaar vrij komen.”
Hoe dan ook, zodra het voorstel van minister Dekker wet wordt, zullen rechters kleur moeten gaan bekennen. De verwachting is reëel dat straffen omlaag zullen gaan. Misschien niet zo goed voor de tevredenheid van het publiek over de rechtspraak. Terwijl juist daarmee een enorm belang gemoeid is. De wetgevende macht brengt de rechtsprekende op deze manier dus best in een lastig parket.
Simpel
Het kan simpeler. De wet biedt de strafrechter nu al de mogelijkheid om gevangenisstraffen tot 4 jaar voor een deel voorwaardelijk op te leggen. Dat voorwaardelijke deel hoeft de veroordeelde dus niet uit te zitten. Wel moet hij zich tijdens een proeftijd aan voorwaarden houden. Het ‘niet opnieuw plegen van een strafbaar feit’ is daarbij standaard. Maar ook begeleiding door de reclassering komt veel voor. Dat de mogelijkheid van voorwaardelijke straffen begrenst is tot vier jaar is waarschijnlijk omdat het gezien wordt als een uiting van vertrouwen dat de misstap na zo’n begripvol en welwillend vonnis door deze veroordeelde niet nog eens herhaald zal worden. Wordt dat vertrouwen beschaamd, dan gaat de rechter het daarna ook niet nog eens een keer zo doen. Dat is ongeveer de gedachtengang. En sowieso al niet als die eerste misstap een wel heel forse geweest is, zodat een langere straf dan 4 jaar geboden is.
Als de grens van 4 jaar voor voorwaardelijke straffen zou worden los gelaten, heeft de rechter maximale ruimte voor de beste beslissing. “Vijftien jaar cel, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van 6 jaar. En over twaalf jaar komt u terug om te kijken welke voorwaarden er dan nodig zijn.” Met een dergelijke vonnis is voor iedereen duidelijk hoe lang de celstraf precies duurt. Ook is er ruimte om maatwerk te leveren bij het bepalen van de benodigde periode voor een soepele terugkeer van de gedetineerde in de samenleving. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden afgeschaft. En samenloop met andere regelingen doet zich niet meer voor. Mocht de ex-gedetineerde binnen de proeftijd toch weer de fout in gaan, dan vordert het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel en moet de veroordeelde die 3 jaar alsnog zitten. Zoals nu ook ongeveer bij straffen tot vier jaar het geval is.
De rechter beslist en houdt regie op vrijheidsbeneming. Rechtvaardig en transparant. ‘Lean’ – moet je tegewoordig zeggen.