Aan de toonbank bij onze koffiekoning in de binnenstad van Tilburg staat een opvallend grote meneer met een opvallend klein hondje aan de riem. Ik observeer van een afstandje de interactie tussen de vermoedelijk Simon hetende verkoper, mijn echtgenote, het hondje en Grote Meneer. Diens grijze, bijna recht vooruit stekende wenkbrauwen met een geschatte haarlengte van vijf à zes centimeter hebben direct mijn sympathie. In de decembermaand voorzien Charles Dickens-achtige medeburgers enorm in mijn behoefte aan nostalgie. En zeker als het buiten net een beetje is gaan sneeuwen.
Als Echtgenote mogelijk iets te vrolijk op het hondje reageert voegt Grote Meneer haar nogal zakelijk toe:
– “Hij is beslist níet aaibaar. Vingers slikt hij in een keer door.”
Echtgenote schrikt zichtbaar terug door de onverwacht blootgelegde diepere aard van deze Tilburgse viervoeter. Grote Meneer voelt zich daardoor kennelijk toch een beetje schuldig.
– “Hij is veel mishandeld,” verklaart hij nader.
Een prima moment om mij in het gesprek te mengen meen ik.
– “Vandaag ook nog?” vraag ik.
– “Zeker,” zegt Grote Meneer. “Dadelijk wéér.”